© 2017 Proudly Created by JOIN2B

Projectgroep Rond de Pomp

KATS


Water is in Kats niet alleen een levensbron, maar ook een inspiratiebron voor kunstenaars. Met deze creatieve inwoners is dit dorp goed bedeeld. Kats is gelegen nabij de Oosterschelde en beschikt over een bedrijvige jachthaven. Hier is ook de plek waar de betonnen elementen van de Zeelandbrug werden gemaakt. De grote kranen vormen nog steeds een markant monument.

De Watergodin

Net als bij de oude Egyptenaren zou ik het liefst de zon als een God vereren, want we kunnen niet zonder, maar ook het water is voor de hele wereld onontbeerlijk! Al lijkt het in ons landje maar heel gewoon dat er bij iedereen water uit de kraan blijft vloeien. Er wordt elke dag uitgebreid gedoucht of gebadderd en men trekt de neus op als je iemand die dorst heeft, een glas kraanwater aan biedt.

 

Als je geboren bent voor de watersnoodramp van 1953 (zoals ik), dan heeft water (zonder die overstroming) nog een heel andere betekenis. Pas na de ramp werd er op Noord-Beveland waterleiding aangelegd en kwam de ongekende luxe, dat er zomaar schoon water uit een kraan getapt kon worden

Maar vroeger was het zo anders ...Wij woonden op Kats op een kleine boerderij. De schuur stond er al toen mijn ouders in 1938 er een huis naast lieten bouwen. Het grote puntige dak kon veel water opvangen en via de regenpijpen kwam het water in een filter van grind en zand en daarna in de regenbak, die naast het huis onder de grond gemetseld was, om het water koel en in het donker te bewaren. De meeste mensen hadden hun regenbak naast de achterdeur, waarvan de kraag zo'n 70 cm boven de grond uit stak.Een goede regenbak was knap gemetseld met een speciale specie die vermengd was met Tras, het was een specie die de regenbakken ondoordringbaar maakte.Op sommige plaatsen in Zeeland noemde men zo'n put dan ook gewoon “de tras”.

 

Onze schuur had ook een regenbak en als de regenbak naast het huis leeg was, dan pompte mijn vader het water over naar de andere bak. En in onze bijkeuken stond een pomp met zwengel. De regenbak werd goed afgesloten, want er moest voorkomen worden dat er een rat of een kat in zou verdrinken, want dan was het water  ondrinkbaar en moest hij meteen leeg gepompt en heel goed schoon gemaakt worden, anders zou men ernstig ziek kunnen worden.

Er stond een grote betonnen drinkbak, voor de koeien en paarden, naast onze schuurregenbak en op die manier kon hun drinkbak gemakkelijk gevult worden. In de wei was er bij elke boerderij een "vaete"(of brandput) te vinden waaruit de dieren konden drinken.

 

Ook hadden we een welput, waar het water uit de grond in op welde,  door de netjes gemetselde stenen die de "welle" niet helemaal af mochten sluiten. 

Daarin zag ik dan prachtige varentjes groeien aan de kanten tussen de steentjes en het was spannend in de donkere diepte van het water te kijken, want er werd altijd gewaarschuwd dat niet te doen, omdat Jan Haak je in de put kon trekken met zijn haak.Het water uit de "wêlle" werd alleen gebruikt voor het schuren

van de melkemmers, die daarna wel met regenwater werden na gespoeld en op “de têêltuun” (emmerrek) te drogen werden gezet.

 

Om een "aekertje waeter" uit de put te halen moest je wel een bepaalde handigheid hebben, anders kon je de emmer niet in de juiste positie laten duiken en had je maar een half emmertje vol. Om de ramen buiten te zemen kwamen er ook twee emmers water van pas, want de ene emmer kreeg een beetje sop in het water, waarin de ragebol aan een lange stok zijn werk moest gaan doen en in de tweede emmer zat schoon water met een pollepel, waarmee je dan zo goed mogelijk dat water tegen de gesopte ramen kledderde. Daarna werden de stoepen geschuurd met het overgebleven sop- water, want het water werd nooit verspild.

 

In de hete zomer van 1947 kwamen vele regenbakken droog te staan, vanwege de langdurige droogte. Toen moesten de mensen in Kats met hun emmertjes naar de regenbak van de kerk, het oude gemeentehuis, de school of  naar de timmerman die ook een regenbak had voor noodgevallen. Ook sleepten de mensen nu met hun laddertjes en daalden neer in hun diepe regenbakken om die heel goed schoon te maken. Eindelijk kwam er een donkere lucht aanzetten en barstte er een zwaar onweer los. De bliksem sloeg in in de schuur van boer van Arendhals en vloog in brand, maar de Katsenaren waren dankbaar voor de grote regenval, want sommigen herinnerden zich het jaar 1911 nog, toen er maandenlang geen regen viel en er veel kinderen en ouderen stierven vanwege de dorst of het drinken van brak-water uit de “kupen”. Nu viel er in één bui een aker vol (putemmertje) uit de hemel, want de watergodin vulde eindelijk hun kostbare putten en de Katsenaren konden weer lachen.

 

Misschien zijn er nu jonge mensen die zich afvragen hoe de mensen zich in die tijd dan wasten, tanden poetsten en de wc doorspoelden? Het klinkt misschien vreemd, maar het was voldoende om 's morgen even een kan water te vullen en je even met een washandje te wassen. De mannen wasten zich ook vaak buiten bij de pomp of bij de regenput, want alleen op zaterdagavond werd er een teil met handwarm water gevuld en in de keuken gezet (een badkamer was er niet), waar dan eerst de kinderen in werden gewassen en als die in bed lagen, volgden de ouders met hun wasbeurt en daarna legden ze hun schone kleren klaar voor de zondag.

                                                                                                                    

In het snoeptrommeltje zaten babbelaars voor bij de koffie, en was er iets feestelijks, dan kregen we een Jikkemiene (bolus).Tanden werden er eigenlijk niet gepoetst, al was er wel een poeder in vaste vorm, waarmee je je tanden glad kon maken (soort Vim ?) Oude mensen hadden vaak geen tanden meer !  Voor de wc gebruiken we tegenwoordig voor elk klein plasje al gauw een liter water om het weg te spoelen.

 

Vroeger had bijna iedereen een “plee” in de tuin of achter tegen het huis staan. De plee had een deurtje (waar vaak een hartje in was gezaagd) en daarachter was een plank getimmerd op zithoogte met een gat en een passend deksel. Aan de wand zat een spijker, waaraan vierkante blaadjes aan een touwtje hingen, die uit een oude krant gescheurd waren, om de bibs te vegen. Onder het gat in de plank bevond zich de zogenaamde “beeremmer” en als hij vol was, dan brachten de mannen (in het donker) de emmer weg en leegden hem in een grote “beerput” aan de Kreekpad, die zich achter het dorp bevond en waar wij als kinderen eigenlijk niet mochten komen. Omdat men niet graag vertelde wat men in het donker ging doen, vertelden de mannen van Kats dan; "dat hij even met meneer naar 't steiger moest” en dan begrepen de anderen meteen wat er nog moest gebeuren.

 

Bij mijn grootouders, op de oude Hoeve Oosterstein, was er een bakhuis naast het huis en daarachter was een ruime plee getimmerd. Het handige was, dat daar onder een sloot liep en zo konden de menselijke fecaliën gemakkelijk worden afgevoerd. Ze noemden het huisje “ 't plons-pleetje”, dat zegt genoeg. Er werd nergens spoel water gebruikt (en de vliegen genoten).

 

Voor het huis op Oosterstein, was ook een “grôte vaste”. Dat water was niet alleen voor de paarden en koeien om uit te drinken, maar ook als brandput! Er werden ook kleren in gewassen, die eerst op “de blijk” (op een speciaal grasveldje) hadden gelegen, om de hardnekkigste vlekken er uit te bleken. Voor de wasvrouwen was een stukje loopplank boven het water gemaakt en ze sleepten hun vuile melkemmers er ook heen, om die schoon te spoelen.

 

In 1883 was er in Kats gebrek aan goed drinkwater, doordat de grote kerkbak zo vervuild was, dat er bruin water uit kwam.

De geneeskundig inspecteur in zeeland, vond het zeer gewenst dat het dak van de kerk en de goten grondig werden gereinigd en dat er bij de school ook een regenbak geplaatst moest worden. De gemeente zou aan de kerkvoogdij het verzoek doen over het schoonmaken, maar zag op tegen de kosten van een nieuwe regenbak bij de school. 

                                                                                                                   

21 februari 1889 werd “Het mussen gilde van Kats” opgericht, welke tot doel had om het grote aantal schadelijke vogels te verminderen. Met het oog op besmetting van het drinkwater en verder de schade die verschillende vogels op het land en de boerderijen brachten, ging het niet alleen om de mussen, maar ook om de kraaien, eksters, houtduiven en de zwarte mollen die een plaag waren in die tijd. Zo werd besloten dat elk lid van de Gilde per jaar 30 mussen in moest leveren (of  een groot aantal mussen en grote vogels of mollen of de eieren van die vogels) Ieder lid moest in een boekje precies bijhouden wat hij geschoten had. Dan werd er in februari, op de grote bijeenkomst, gekeken wie het grootste aantal mussen had geschoten en ook de vogels geteld die hij boven zijn verplichte aantallen had ingeleverd en die ontving dan een gulden als prijs. Had men echter te weinig schadelijke vogels ingeleverd, dan kon men een boete verwachten van 10 centen ! Hij die het hoogste aantal vogels had ingebracht, werd dan voor het hele jaar “de Mussenkoning” genoemd.

 

In 1903 zond het schoolhoofd H.W.Odink een brief aan de Gezondheidscommisie in Veere, dat hij veel last had van mussen en spreeuwen onder het dak van de onderwijzerswoning, die het dak vervuilden met hun uitwerpselen en door de dode vogels die in de goten lagen te ontbinden, waardoor het water ondrinkbaar was geworden. Er kwam uit de waterbakken een ondraaglijke stank. Hij schreef ook dat zijn voorganger al geklaagd had en in die periode zeven gevallen van Tyfus had meegemaakt, die toegeschreven waren aan het slechte drinkwater. De commissie deed meteen een onderzoek en bevestigde dat het water niet meer gebruikt mocht worden. De Gemeente moest nauwkeurig nagaan of de bakken in orde waren en er werd ook geadviseerd om platte dakpannen op het dak van die woning aan te brengen, zodat dit het probleem van de mussennesten kon oplossen. Maar er werd niet op gereageerd door de Gemeente.

Meester Odink beruste niet en schakelde elk jaar opnieuw de Inspecteur van de volksgezonheid in, die de Gemeente daarna aanspoorde, maar de beloftes van de Gemeente werden niet uitgevoerd. Meester Odink bleef vragen om schoon water. In 1907 werd het de Gedeputeerden van Zeeland eindelijk duidelijk, dat het door de financiële problemen van de Gemeente kwam, dat ze hun beloften nog steeds niet hadden waargemaakt. Maar  het college vond overigens dat het dan ook geen kwaad zou kunnen, als het schoolhoofd zou stoppen met het houden van duiven !

 

Mijn overgrootvader Thomas Maat was 24 jaar oud bij de oprichting van het Gilde. Toen hij 70 jaar oud was (in 1934) werd hij nog eens extra hartelijk bedankt voor alles wat hij gedaan had (als oud-voorzitter) in het belang van “Het mussen gilde". Maar of het veel tegen ziektes heeft geholpen? Tegenwoordig zou de Partij voor de dieren al gauw op de stoep staan, maar  in die tijd was het belangrijk om “de kaas niet van je brood te laten eten” als je wilde overleven. Er waren honderden mussen op elke boerderij waar paarden en koeien liepen en de mestvaalt vol afval en zaden lag. Waar gemaaid en gedorst werd en broedplaatsjes genoeg te vinden waren, onder de daken en in de bomen. Er waren volop insecten, maar een "vlooien- en luizengilde” werd er toch niet opgericht.

 

Ik heb toch het gevoel dat de mensen uit deze tijd, misschien wel heel veel van de mensen van toen zouden kunnen leren … De “saamhorigheid” die ik vroeger ervaren heb in het dorpje Kats, heb ik uitgebeeld door middel van een bronzen beeld wat ik maakte in 2005 en toen door de bevolking van Kats is uitgekozen, waarna het voor mijn geboorte huis geplaatst is. Lieve mensen nog heel veel dank daar voor.

 

Lydia Klop-Steendijk

 

p.s.

Ik moet nu ook denken aan een gebeurtenis, die mijn grootvader Piet de Regt aan mij heeft verteld en wat ik later in ons familieboek heb genoteerd ;

 

Het was 2 februari 1892 . Lena de Regt was hoog zwanger van haar eerste kindje en zoals ze gewend was liep ze 's morgens naar de regenbak om water te halen. Nu had het die nacht gevroren en naast de regenbak was een plas water die bevroren was en daar had Lena niet op gerekend. Ze wilde de aker in de put gooien, maar gleed uit. Ze verloor haar evenwicht en viel over de rand van de put, maar ze kon zich nog net aan een uitstekende richel vast klampen en om hulp roepen... Gelukkig hoorde men haar roepen en werd ze met veel moeite uit haar benarde positie gered. Maar ondertussen waren toch de weeën al begonnen en het kindje wilde er uit. Die zelfde dag werd een kerngezonde zoon geboren. Hij werd Piet de Regt genoemd en het was onze opa zelf, die zo ter wereld is gekomen en dit aan mij vertelde.